ARTIKELEN DIE EERDER IN "De Vriendenkring" ZIJN VERSCHENEN

 

De Afsluitdijk

(eerder verschenen in De Vriendenkring 47 (2007), nr. 1, p. 11-15).

Vorig jaar is met de nodige publiciteit de vaderlandse historische canon gepresenteerd: gebeurtenissen of plaatsen die tot de culturele bagage van elke Nederlander zouden moeten behoren, of zij/hij hier nu geboren is of niet. Onmiddellijk leidde de canon tot felle discussies: wat zou eruit kunnen (dat was meestal niet zo veel), wat zou er aan toegevoegd moeten worden (dat was meestal veel meer). Vooral op provinciaal niveau werden toevoegingen of zelfs hele nieuwe canons gesuggereerd. Er blijken heel wat zaken te zijn waar men op centraal niveau geen oog voor heeft, maar die ons dicht bij huis sterk raken. Als cultuurhistorische vereniging die zich ook richt op een bepaald gebied – in ons geval: Flevoland – hebben we de handschoen ook willen oppakken, en willen nadenken over de vraag: wat zouden mensen die in Flevoland wonen, of die zich voor Flevoland interesseren, moeten weten over Flevoland?

Er zijn veel zaken waar we aan kunnen denken. De Swifterbantcultuur, of meer in het algemeen de mensen van wie we niets weten, behalve dat wat we uit hun sporen kunnen reconstrueren, zoals onder andere in de jongste afleveringen van dit blad is gedaan door de onvergetelijke Gerrit van der Heide. De schippers van de Zuiderzee, die soms hun schip zagen vergaan – eeuwen later werd, bij het droogvallen van de Zuiderzee het wrak teruggevonden, en met de markeringen worden we ons telkens weer bewust van de rampen die zich hier afgespeeld hebben. Ir. Cornelis Lely, die in 1891 een plan voorstelde, en dat pas in 1918, toen hij voor de derde maal Minister van Waterstaat was, door de Kamer aangenomen zag: wie kan het volhouden om 27 jaar aan een ideaal vast te houden? Maar ook de slachtoffers van het plan, de vissers die hun broodwinning verloren zagen gaan, en daar maar beperkt voor gecompenseerd werden. De polders natuurlijk, met hun landerijen, dorpen en steden. Neem Almere. Laatst vertelde ik een collega uit Gent dat Almere meer dan 170.000 inwoners had (inmiddels zijn het er weer meer). Amay, zo reageerde hij, dat zijn er meer dan in Gent wonen. Soms moet je met een buitenlander praten om je te realiseren wat een krankzinnige onderneming – positief bedoeld – het is om in twintig jaar tijds de achtste stad van het land uit de grond te stampen.

Geen van deze zaken zijn in de nationale canon terechtgekomen. Wel staat er een deel van ons gebied in wat we een andere, internationale canon zouden kunnen noemen, de Werelderfgoedlijst. Op die lijst vinden we Schokland, en op de bijbehorende website staat, summier, de motivatie voor de plaatsing op de lijst: “Het Werelderfgoed Schokland staat als archeologisch monument symbool voor de eeuwig durende strijd tussen de mens en de zee”. Ik wil niet aan de plaats van Schokland op de Werelderfgoedlijst komen, maar de motivatie komt mij wat vreemd over. Bestaat er verband tussen de archeologische vondsten en de strijd tegen de zee? Veel van die vondsten dateren uit de tijd dat er van een zee amper sprake was, eerder van een meer (Flevo, Almere), eilanden en grote veenpakketten die de eilanden aan elkaar verbonden. Als er op Schokland gestreden is tegen de zee, is dat niet met veel overtuiging gedaan, en de ontruiming van 1859 houdt in feite een erkenning van de nederlaag in. Wel is het zo dat je je nergens zo goed bewust bent van de strijd tegen de zee als wanneer je vandaag de dag naar Schokland gaat. Het is althans mijn persoonlijke ervaring dat je je nergens zo realiseert dat je naar een jonge polder kijkt als wanneer je op het voormalige eiland uitkijkt over het omringende land. Loop door de straten van Emmeloord, en je waant je in een willekeurige buitenwijk. Fiets over de polderwegen en je denkt: dit had ook Noord-Groningen, West-Brabant of Zeeuws-Vlaanderen kunnen zijn. Maar kijk vanaf Schokland de polder in, en je realiseert je dat de grond van de akkers een mensenheugenis geleden nog door zeewater overspoeld was.

Het is ook weer niet zo dat Flevoland helemaal niet in de nationale canon voorkomt. Maar om dat te ontdekken, moet je het ‘venster’ openmaken van de Beemster, die trouwens net als Schokland ook op de UNESCO-Werelderfgoed lijst staat. Dan lees je: “Deze droogmakerij uit 1612 kan als een schoolvoorbeeld dienen van hoe de Nederlanders grote delen van hun land – in het noorden, westen en zuidwesten – zelf hebben ‘gemaakt’. Nederland heeft door menselijk ingrijpen in de natuur vorm gekregen. Dat begon met kleinschalige landaanwinning en bedijking in de Middeleeuwen, nam vanaf de zestiende eeuw steeds grootschaliger vormen aan met het droogleggen van meren en veenplassen, en kende zijn voorlopige afronding in de twintigste eeuw met de aanleg van de Flevopolders en de Maasvlakte”. De Beemster heeft in de canon dus grotendeels een symboolfunctie. Er moest een polder in, en uit de kleine 4.000 polders die Nederland telt, is juist deze gekozen. Waarom? Omdat het de enige polder is die op de Werelderfgoedlijst staat? Omdat de Beemster qua tijd ongeveer in het midden van de eerste en de laatste inpolderingen staat? Vanwege de technologische vernieuwing (de molengang), het classicisme van het verkavelingspatroon, of de financiering door Amsterdamse kooplieden, drie aspecten die alledrie ook de Gouden Eeuw karakteriseren?

Maar als iets buiten de provincie Flevoland in verband kan worden gebracht met de Flevopolders, dan is er nóg iets dat in de Flevolandse canon thuishoort: de Afsluitdijk. Geen polder, maar een dijk, maar in feite geldt hetzelfde als wat hierboven  voor Schokland is gezegd: nergens realiseer je je het bijzondere karakter van de Zuiderzeewerken zo goed als juist op deze dijk, met het uitzicht op het IJsselmeer, ‘getemd maar rusteloos’ zoals de dichteres Vasalis schrijft in haar gedicht Afsluitdijk. Even daarvoor schrijft ze ‘de dijk is eindeloos’, en dat is misschien nog het meest imponerende van de Afsluitdijk: het is niet mogelijk (tenzij misschien bij heel helder weer) de beide aanhechtingspunten van de dijk tegelijk te zien. Tegen de tijd dat je ziet waar de dijk aankomt, is het begin al lang en breed uit het zicht verdwenen. Nog merkwaardiger is misschien, dat de dijk een waterkerende, beschermende functie heeft (hij beschermt de kusten van de voormalige Zuiderzee, en de in die zee aangelegde polders), maar dat overgrote deel van de kust en de polders die beschermd worden vanaf de Afsluitdijk niet te zien is.

De Engelse historica Barbara Tuchman kreeg bij het zien van de Afsluitdijk vertrouwen in de mensheid: bij al het kwade was de mens toch ook hiertoe in staat. Ze schreef dat in haar boek over de Eerste Wereldoorlog: het jaar na Verdun nam het Nederlandse parlement de Zuiderzeewet aan, waarin de bouw van de Afsluitdijk is opgenomen. En waar bij de inpoldering van de Beemster al sprake was van wat we nu ‘durfkapitaal’ zouden noemen, gold dat voor de Zuiderzeewerken in versterkte mate: nooit tevoren had Nederland zoveel geld uitgetrokken voor één, omstreden project.

Waar de Beemster staat voor technologische vernieuwing, geldt dat alweer in sterkere mate voor de Afsluitdijk. De Beemster valt, zoals de canon al aangeeft, in een traditie van inpolderingen. Technologische vernieuwingen hebben zich daarvoor en daarna (denk aan de inpoldering van de Haarlemmermeer met stoomkracht) voorgedaan. Het bouwen van een afsluitende dijk in open zee, waarbij de getijdenbeweging beteugeld moest worden, was vrijwel nieuw. Slechts de afsluiting van het Kreekrak en het Sloe in Zeeland, en natuurlijk de bouw van de dijk die Wieringen met het vasteland verbond, leverden informatie op waar de ingenieurs wat aan hadden. Maar dan nog hebben zich grote, en ook onvoorziene problemen voorgedaan. Het water dat de Zuiderzee in- en uitstroomde, moest zich naarmate de bouw vorderde door steeds kleinere openingen persen. In die openingen ontstond daardoor een waterval, die op het laatst meer dan een meter hoog was. Onder de waterspiegel schuurden de sterke stromen de bodem uit. Dat bleek vooral het geval te zijn bij de Middelgronden, waar paalworm de samengevlochten takken van de zinkstukken bijna helemaal had weggevreten. Daar waren geulen van 28 meter diep ontstaan. Toen was het ‘alle hens aan dek’: alle kranen, baggerschuiten en keileemtransporteurs zijn naar de Middelgronden gedirigeerd, en dag en nacht is doorgewerkt om het gat te dichten voordat het nog meer uitgesleten zou raken.

Op 28 mei 1932, even na enen, was het dan zo ver: na vijf jaar bouwen was de Afsluitdijk voltooid. Bij alle overheidsprojecten die in onze tijd de planning overschrijden, is het wel aardig te bedenken dat de bouw van de Afsluitdijk drie jaar eerder klaar was dan men had begroot.

Bij de Vlieter werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Een legertje hoogwaardigheidsbekleders stond klaar om de dijk als eerste te betreden, maar toen bij de laatste grijper met klei de stoomfluiten joelden, was een jonge vrouw uit Wieringen hen te vlug af. Blootsvoets en met opgeschorte rokken sprong Grietje Bosker over de verse klei, in een paar stappen van het Noord-Hollandse deel naar het deel dat vanuit Friesland was aangelegd. Het zou overigens nog meer dan een jaar duren, namelijk tot 25 september 1933, voordat de dijk officieel geopend zou worden. In de tussentijd was op 20 september de naam Zuiderzee gewijzigd in IJsselmeer (dat gebeurde dus niet automatisch bij het sluiten van de Afsluitdijk, zoals soms wel wordt gedacht).

Dit jaar is het dus 75 jaar geleden dat de Afsluitdijk gereed kwam, en dat zal niet ongemerkt voorbijgaan. Op de precieze datum, 28 mei, wordt een tentoonstelling geopend in het Nieuw Land Erfgoedcentrum, en een paar dagen later, op 1 juni, verschijnt onder de titel Getemd maar rusteloos een boek over hoe kunstenaars en wetenschappers uit verschillende disciplines tegen de afsluiting van de Zuiderzee hebben aangekeken.

Maar ook nu al zijn er twee ‘herdenkingen’ rond de Afsluitdijk die onze aandacht vragen. De eerste is de tentoonstelling ‘De Dijk’ die momenteel in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen plaatsvindt. Het op zichzelf merkwaardige feit dat twee musea, in Enkhuizen en Lelystad dus niet eens op zo grote afstand van elkaar (de plaatsen liggen aan die andere dijk die door het IJsselmeer loopt!), de Afsluitdijk herdenken, wordt begrijpelijk als we zien dat ieder een eigen presentatievorm gekozen heeft. In Lelystad zal vooral de fotocollectie centraal staan, in Enkhuizen vormen schilderijen het hart van de tentoonstelling. Het Ministerie van Waterstaat nodigde rond de bouw van de Afsluitdijk een vijftal schilders uit om de werkzaamheden vast te leggen. Een van hen was Johan Hendrik van Mastenbroek (1875-1945), een Rotterdammer die vooral naam had gemaakt met zijn schilderijen van de Rotterdamse haven. Schepen, kranen en machines vormden zijn favoriete onderwerpen. Geen wonder dat Van Mastenbroek de opdracht om de Zuiderzeewerken te schilderen met beide handen aannam, en ook bleef nadat de termijn van de eigenlijke opdracht was verstreken. Hij verkocht zijn schilderijen, die hij als ‘het epos’ aanduidde, niet, en na zijn dood deed zijn vrouw vrijwel de hele collectie over aan het Zuiderzeemuseum. Nadat daar altijd wel een paar ‘Mastenbroeken’ te zien waren, wordt er nu de hele verzameling voor het eerst getoond. Heel mooie schilderijen: impressionistische weergaven van het water, de werktuigen en de mannen, waarbij de kleuren bruin, grijs en staalblauw overheersen, maar soms ook een opvallend kleuraccent is waar te nemen. Na 75 brengen ze de sfeer rond de bouw van Afsluitdijk nog steeds indringend over.

Over het tweede herinneringswerk valt vooralsnog minder te zeggen. Dat is het boek Het schrale eind, en zowel van de schrijver Bas Sleeuwenhoek als van de uitgever De Grintfisker had ik nog nooit gehoord. Het boek oogt met zijn spaarzame illustraties sober, maar daar moet niemand zich door laten weerhouden, want het is een geweldig boek. Bij alles wat er nog rond de herdenking van de Afsluitdijk gaat verschijnen, zal het moeilijk zijn dit boek te overtreffen, en het steekt met kop en schouders uit boven de matige boeken die doorgaans het beeld van de Zuiderzeeliteratuur bepalen. Sleeuwenhoek heeft zich uitstekend gedocumenteerd, heeft veel geïnterviewd, en schrijft zijn bevindingen op in een mooie, ingehouden stijl, met prachtige taalvondsten: “Als de Zuiderzee kwam opzetten, verdween het land onder een grote watervlakte, waar de boerderijen als koek-en-zopietentjes bovenuit staken”; “De 412 meter lange Eilandbrug over de N50, waarvan de pijlers op het Kampereiland stonden, was het laatste pontificale bouwwerk.” Op bijna elke bladzijden zijn wel zulke zinnen aan te treffen.

De Afsluitdijk: net als bij de Noordoostpolder is een eenvoudige werknaam tot de officiële naam geworden, maar anders dan bij de Noordoostpolder zijn er nooit pogingen ondernomen de naam te veranderen. Dat zou ook niet passen bij zo’n strakke, sobere dijk. Zelfs de knik bij de Lorentzsluizen is functioneel: daardoor kruist de dijk de diepe Middelgronden in loodrechte richting. Het merkwaardigste is overigens nog wel dat de Afsluitdijk strikt genomen geen dijk is (een dijk heeft aan één kant land), maar een dam.

Al 75 jaar oefent de Afsluitdijk aantrekkingskracht uit: op toeristen, op kunstenaars, op journalisten, op wetenschappers, op waterbouwkundigen, op iedereen die geïnteresseerd is in het menselijk ingrijpen in de wisselwerking tussen land en zee. Hoog tijd dat de provincie die aan dit ingrijpen het ontstaan dankt, die Afsluitdijk in haar canon opneemt.

 

Harrie Scholtmeijer

 

De deur staat los: streektalen en de standaardtaal in de Noordoostpolder

Eerder verschenen in De Vriendenkring 42 (2002), nr. 3, p. 43-51.

In de tweede helft van de jaren tachtig verrichtte ik, in opdracht van de toenmalige organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO; thans NWO) een onderzoek naar de uitspraak van het Nederlands in drie polders die in het kader van de Zuiderzeewet van 1918 waren drooggelegd: deWieringermeer, de Noordoostpolder en Oostelijk-Flevoland. In die polders waren immers kolonisten uit bijna alle delen van Nederland neergestreken, ieder met zijn of haar eigen dialect. Uit onderzoek dat in de beginjaren was verricht, kwam naar voren dat de veelheid van dialecten in die tijd nogal eens tot spraakverwarring had geleid: niet alle dialecten waren onderling evengoed te verstaan. Dat al die dialecten tot in lengte van dagen in de polders zouden blijven klinken, werd dan ook heel onwaarschijnlijk geacht. Maar wat zou ervoor in de plaats komen? Zou er één dat dialect komen, dat elementen uit alle oorspronkelijke dialecten in zich zou verenigen ― dus met Friese woorden naast Groningse woorden en Zeeuwse woorden etc.? Zou het dialect van de bevolkingsgroep die in aantal of in sociaal-economische positie dominant was, het algemene dialect van de nieuwe polder worden? Wat is de rol van de Nederlandse standaardtaal (het “A.B.N.”), die als spreektaal in de twintigste eeuw een steeds grotere betekenis krijgt? Al die vragen konden in de beginjaren alleen maar speculerend beantwoord worden. Pas na de kolonisatiefase zou onderzoek een wetenschappelijk betrouwbaar antwoord op die vragen kunnen gegeven.

Dat onderzoek vond, als gezegd, plaats in de jaren tachtig. De taal van in totaal 236 polderbewoners (waarvan 98 in de Noordoostpolder) werd opgenomen, geanalyseerd en bestudeerd. De uitkomst daarvan werd beschreven in een proefschrift, dat nu tien jaar geleden aan de Rijksuniversiteit Leiden werd verdedigd.

Een proefschrift wordt in de eerste plaats voor vakgenoten geschreven, en de eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid voor een breed publiek komen bij dit soort publicaties pas veel later (of in het geheel niet) aan de orde. Zeker bij onderzoek dat over een menselijk fenomeen als de taal gaat, een onderzoek waar veel mensen belangeloos hun medewerking aan hebben verleend, is dat wel eens spijtig. Ik heb dat destijds proberen op te lossen door de resultaten van het onderzoek in twee artikelen samen te vatten (in Onze Taal en in IJsselmeerberichten), maar zo’n artikel is nu eenmaal aan een ― niet zo heel grote ― maximum-omvang gebonden. Een boek heeft dergelijke beperkingen niet, maar uiteraard geldt voor de publicatie van een boek in de eerste plaats, dat er een uitgever moet zijn die er brood in ziet.

Gelukkig lijkt zich de laatste jaren een stijgende belangstelling voor het dialect af te tekenen. Dat heeft de Sdu op de gedachte gebracht een reeks boeken uit te brengen, waarin telkens een of een paar bijeenhorende dialecten op een niet al te ingewikkelde manier beschreven worden. De reeks heet ‘Taal in Stad en Land’en tot nu toe verschenen dertien delen. Mij werd gevraagd het deel over Flevoland voor mijn rekening te nemen, waarbij de taalvariëteiten uit deze provincie (behalve de poldertaal is dat natuurlijk ook het Urks) aangevuld worden met twee andere dialecten uit het midden van Nederland: het Veluws en het Utrechts.

De serie wordt door de Sdu op de markt gebracht in samenwerking met een aantal grote boekhandels, verenigd in de Boekhandelsgroep Nederland (BGN). Voorlopig mogen ook alleen deze boekhandels de boeken uit de serie te koop aanbieden. De enige BGN-boekhandel in het door mij beschreven gebied is Broese, aan de Stadhuisbrug in Utrecht. Ook De Tille in Leeuwarden en Wristers in Groningen verkopen de deeltjes uit Taal in Stad en Land, ook de deeltjes die niet betrekking hebben op hun eigen gebied (Friesland resp. Groningen). Wie niet regelmatig in een van de genoemde steden komt, kan het boek telefonisch of via internet (www.taalinstadenland.nl) bestellen.

Deel 10 van de serie, Utrechts, Veluws en Flevolands, telt vier hoofdstukken: De IJsselmeerpolders, Urks, Veluws en Utrechts. Het eerste hoofdstuk, over de IJsselmeerpolders, valt weer uiteen in twee delen: een algemeen deel over de kolonisatie van de polders en de taatoestand in de kolonisatiejaren, en een deel waarin per polder specifiek wordt beschreven wat de taal nu is, nu de kolonisatiejaren voorbij zijn. De polders waarvan de huidige taal beschreven wordt, zijn  achtereenvolgens de Wieringermeer (die noch Flevoland, noch een IJsselmeerpolder is ― in dat opzicht klopt de boektitel evenmin als de hoofdstuktitel…), de Noordoostpolder en de Flevopolders, met in dat laatste een zwaar accent op het landelijke gedeelte van Oostelijk-Flevoland (de gemeente Dronten).

Hieronder volgt, in enigszins aangepaste vorm, het gedeelte over de taal van de Noordoostpolder aan het einde van de twintigste eeuw. Voor de volledige tekst, en natuurlijk voor alle overige delen van het hoofdstuk over de taal van de polders (maar ook voor het hoofdstuk over het Urks) verwijs ik graag naar Utrechts, Veluws en Flevolands.

De kolonisatiegeschiedenis van de Noordoostpolder vertoont sterke overeenkomsten met die van de Wieringermeer. In beide polders zijn nieuwkomers uit verschillende delen van Nederland neergestreken, die allemaal hun eigen streektaal meenamen. Ook vele jaren na de kolonisatie is de streektaal nog altijd in de polder aanwezig. In de jaren tachtig sprak een derde van de Wieringermeerbevolking (34 %) wel eens de streektaal. Die streektaal kon, behalve een dialect, ook Fries zijn. In de Noordoostpolder staat het Fries er veel en veel beter voor. In zijn algemeenheid wordt hier nog meer streektaal (Fries, Gronings, Drents etc.) gesproken dan in de Wieringermeer: door bijna de helft (49 %) van de bevolking. Dat kan samenhangen met het feit dat de Noordoostpolder een iets jongere polder is dan de Wieringermeer, en daarom nog altijd meer inwoners telt die in de beginjaren als kolonist, met het eigen dialect, naar de polder zijn getrokken. Maar niet alleen de kolonisten van het eerste uur spreken hun streektaal. In de zomer van 2000 nam een docent afscheid van het Emelwerda College in Emmeloord, en werd daarbij toegesproken door een collega. De Nederlandse toespraak begon met het verhaal hoe de heren elkaar voor het eerst ontmoet hadden (“Jo komme ut Fryslân tink, no dan kenne wy ek wol Frysk praete no?”), en eindigde met een gedicht van Akke Wybenga, in het Fries. Op een scholengemeenschap in Friesland zou zoiets ook heel goed mogelijk geweest zijn, ten zuiden van het Ketelmeer is het ondenkbaar.

Veel Friezen binnen en buiten de Noordoostpolder beschouwen diep in hun hart de Noordoostpolder als een verlengstuk van Friesland. Er bestaat zelfs een Friese naam voor de Noordoostpolder, it Sûderleech, die (net als trouwens de naam Zuiderzee) duidelijk de ligging ten opzichte van Friesland aangeeft. In 1941 stelde een commissie van de Provinciale Staten van Friesland voor om het noordelijke gedeelte van de Noordoostpolder te bestemmen voor Friese boeren. De secretaris van deze commissie, Anne Vondeling (later voorzitter van de Tweede Kamer) bepleitte om de polder in z’n totaliteit met kolonisten uit de randgebieden te bevolken. De economische en culturele overgang tussen het oude en het nieuwe land zou dan niet zo groot zijn.

Het idee om alleen kolonisten uit de randgebieden toe te laten stond haaks op de door de kolonisatie-autoriteiten gepropageerde visie waarin álle provincies het beste wat ze te bieden hadden naar de polder lieten gaan. Ook dat is niet gebeurd. In de beginjaren zien we wel degelijk een oververtegenwoordiging van de aan de Noordoostpolder grenzende provincies, al is die niet zo zwaar als in de Wieringermeer (tabel 1).

 

 

Gebied van herkomst                                                  

Groningen  

Friesland

Drente 

Overijssel

Gelderland 

Utrecht 

Noord-Holland (excl. Wieringermeer) 

Zuid-Holland 

Zeeland 

Noord-Brabant 

Limburg  

Wieringermeer -  Noordoostpolder  - Oostelijk-Flevoland 

1947 

7,8

14,8 

5,1  

17,1

4,8

1,6 

12,8

8,6 

5,0

7,8

0,7

13,0 

1984

4,7

9,4

4,5

15,1

5,8  

2,4

10,8

5,6

3,1

2,4

1,3 

33,5

Tabel 1. Herkomst van de inwoners van de Noordoostpolder bij de volkstelling van 1947 (provincie van geboorte) en 1984 (laatste woongemeente; de Wieringermeer is hier bij Noord-Holland gerekend, en Oostelijk-Flevoland bij Gelderland).

Dat er veel Fries in de Noordoostpolder te horen is, komt niet alleen doordat er veel Friezen naar deze polder gekomen zijn, maar ook omdat Friezen meer dan anderen de gewoonte hebben om wanneer ze een andere Fries tegenkomen (en die kans is in de Noordoostpolder niet zo klein) Fries te blijven spreken. Zet twee of meer Friezen bij elkaar en ze zullen in het Fries gaan praten, ongeacht of er anderen bij zijn die dat Fries al dan niet kunnen volgen. Juist vanwege dit ogenschijnlijke gebrek aan respect voor wie het Fries niet verstaat – “we voelen ons buitengesloten” – wekt dit gedrag nogal eens de irritatie op van andere poldergenoten. Meertens constateerde dat al in de jaren vijftig, en tot op de dag van vandaag is dat nog altijd zo. Is het koppigheid of eigenwaan van de Friezen, dat ze zich niet willen aanpassen ondanks de irritatie die hun gedrag oproept? Zelf zien de Friezen het heel anders. Friezen die met de afkeuring van anderen worden geconfronteerd, antwoorden dat het voor hen eenvoudigweg onmogelijk is, ja soms zelfs ‘pijn doet’, om tegen een Fries ‘Hollands’ te praten. Friezen houden meer dan wie ook vast aan de eigen streektaal, zo blijkt uit de tabel 2, die laat zien welke mensen (ingedeeld naar geboortestreek) zich ook in de polder nog wel eens van de streektaal bedienen.

                                 streektaalgebruik (%)

Groningen                                                           77

Friesland                                                            84

Drente                                                               65

Overijssel                                                           47

Gelderland                                                          69

Utrecht                                                              0

Noord-Holland                                                     36

Zuid-Holland                                                       7

Zeeland                                                             80

Noord-Brabant                                                    33

Wieringermeer                                                     7

Noordoostpolder                                                  8

Oostelijk-Flevoland                                              0

Tabel 2. Streektaalgebruik in de polders, naar provincie van herkomst.

De getallen in tabel 2 gelden voor de Wieringermeer, de Noordoostpolder, en Oostelijk-Flevoland samen. Wanneer we naar de Noordoostpolder alleen kijken, dan komen de getallen zeker voor de Friezen nog hoger uit dan voor de drie polders (waarvan twee verder van Friesland afliggen) bij elkaar. Bovendien kunnen we kijken naar de situatie waarin het Fries gesproken wordt: met ouders, andere Friezen, partner of kinderen.

                                                  

Met ouders

Met streekgenoten 

Met  partner

Met  kinderen 

drie polders   

84 

74 

39

32

alleen Noordoostpolder

92

85

61

54

Tabel 3. Percentage Friezen dat in een bepaalde situatie nog wel eens Fries praat.

In 1991 publiceerde de Leeuwarder Courant een enquête naar het spreken van het Fries die door ruim 7300 lezers was ingevuld. Opvallend is dat de cijfers die uit Friesland werden gerapporteerd niet hoger liggen dan die van de Noordoostpolder. In taalgedrag wijken de Friezen ten zuiden van Lemmer nauwelijks af van hun taalgenoten in de provincie Friesland; ze spreken hooguit nóg vaker Fries (tabel 4).

Met ouders                                                         72

Met streekgenoten                                               71

Met partner                                                         61

Met kinderen                                                       49

Tabel 4. Spreken in het Fries, ingedeeld naar conversatiepartner, volgens de enquête van de Leeuwarder Courant (1991).

Met al die Friezen die naar de Noordoostpolder gekomen zijn, en gelet op het feit dat de Friezen onderling nog zo vaak Fries praten, zou je verwachten dat de taal van de Noordoostpolder ook wel een wat Friese kleur heeft. En inderdaad treffen we wel wat frisismen aan in de taal van de jongere, in de polder geboren generatie. Weg komen in de betekenis ‘vandaan komen’ (waar kom je weg?) wordt door 27 % van de jongeren in de Noordoostpolder gezegd, tegen maar 3 % van de jongeren in de Wieringermeer, en zelfs 0 % van de jongeren in Oostelijk-Flevoland (hoewel het nooit helemaal uit te sluiten valt dat het in die laatste polder ook wel eens te horen valt). Weg komen is overigens niet alleen een frisisme: alle streektalen in Noordoost-Nederland kennen deze woordgroep. Verder zijn sprekers die in de Noordoostpolder geboren zijn iets meer dan de geboren Wieringermeerders geneigd de n aan het eind van woorden eten, lopen, denken etc. te laten horen (11 % tegenover 1 %). De ee en de oo spreken ze iets vaker uit als een echte oosterling: met de ee van beer resp. met de oo van boor (in 17 % resp. 16 % van alle woorden; voor de Wieringermeer liggen die percentages met 5% resp. 9 % een stuk lager). Dat zijn allemaal verschijnselen die wijzen op een noordoostelijke invloed.

In de aanwezigheid van taalkenmerken die hun oorsprong in de aangrenzende regio’s hebben, stemt de Noordoostpolder weer overeen met de Wieringermeer. Dáár staat de taal sterk onder de invloed van het Noord-Hollands. Maar het Nederlands van de Noordoostpolder heeft veel minder een Friese of algemeen-noordoostelijke kleur dan het Nederlands van de Wieringermeer een Noord-Hollandse kleur heeft. Daar kunnen een paar oorzaken voor aangewezen worden. Ten eerste is de afstand tussen het Fries en het Nederlands veel en veel groter dan tussen het Nederlands en het Noord-Hollands. Wie met een Noord-Hollands accent praat, weet dat vaak niet eens van zichzelf. Friese elementen in de taal zijn meer opvallend, en kunnen beter onderdrukt worden door wie daar geen prijs op stelt.

Maar er zijn ook een paar buitentalige oorzaken aan te wijzen waardoor de Noordoostpolder veel minder dan de Wieringermeer de taalkleur van de directe omgeving – Friesland, maar ook Urk en Overijssel – heeft aangenomen. Een eerste verschil tussen de Wieringermeer en de Noordoostpolder is dat de inwoners van de Wieringermeer voor werk, hoger onderwijs, het ziekenhuis en grotere aankopen de polder uitmoeten, terwijl Emmeloord voor al deze zaken inwoners uit Urk en een brede strook van Friesland en Overijssel trekt. Dat schept een bepaalde verhouding tussen de inwoners van de Noordoostpolder (m.n. Emmeloord) en die van het oude land. Daardoor zullen de inwoners van de Noordoostpolder minder dan die van de Wieringermeer geneigd zijn de taal van het oude land over te nemen. Ten tweede moet opgemerkt worden dat de verhouding tussen de Noordoostpolder en het oude land, en dan met name Urk en het direct aan de Noordoostpolder grenzende deel van Overijssel, wel gekenmerkt werd door een zekere animositeit. Anders dan bij de Wieringermeer bevonden zich rond de Noordoostpolder plaatsen die van de Zuiderzee afhankelijk waren, en daar had men natuurlijk weinig op met het hele inpolderingswerk. In Van landijs tot polderland (Amsterdam, 1965) schetst G.D. van der Heide de verhouding tussen Urk en de Noordoostpolder:

Met zeer gemengde gevoelens, maar overigens met weinig ingenomenheid, heeft de bevolking van het eiland destijds de vordering van de werkzaamheden gadegeslagen. Een deel van de visvijver, mede hun visgronden, werd ingepolderd, ging verloren en zou worden omgevormd tot landbouwgrond. Dit zou betekenen dat een deel van de bevolking zou moeten ophouden met vissen. Niemand kon de gevolgen van de veranderende situatie overzien. (...) De nieuwe polderbevolking, zo zeer agrarisch ingesteld, zo weinig op de hoogte met de situatie van een gesloten eilandgemeenschap, heeft aanvankelijk weinig sympathie gehad voor de Urker problemen, weinig begrip zelfs. Slechts in het overleg in de hogere organen werden bepaalde problemen en controversen opgelost: de beide bevolkingsgroepen leefden hun tegenstrijdige belangen zonder eigenlijke strijd in een zekere wrevel uit.’